''Een training organiseren alleen voldoet niet'' Inzet van gedragswetenschap bij motivatie laaggeletterden

Laaggeletterdheid is een hardnekkig en veelvoorkomend probleem. Miljoenen Nederlanders hebben moeite met alledaagse taken zoals internetbankieren, (klein)kinderen voorlezen of een brief van de gemeente begrijpen. Beperkte taalvaardigheid leidt tot allerlei maatschappelijke problemen. Om de taalvaardigheid van Nederlanders te verbeteren zijn er vele scholingsmogelijkheden, maar hoe zorg je ervoor dat mensen deze scholing vinden en (willen) volgen? Kennis vanuit de gedragswetenschap biedt kansen om de aanpak van laaggeletterdheid te verbeteren.

Het enkel financieren en subsidiëren van scholingsaanbod is een ontoereikende aanpak en houdt te weinig rekening met de menselijkheid van laaggeletterden. Emoties spelen namelijk een grote rol bij laaggeletterdheid. Laaggeletterdheid draait niet alleen om de taalvaardigheid, maar heeft effect op vrijwel elk leefgebied (o.a. armoede, gezondheid, werk en familie). Een gedegen aanpak is daarom van groot belang om gelijkheid te bevorderen.

2.5 miljoen laaggeletterden

Mensen die laaggeletterd zijn hebben vaak moeite met lezen, schrijven en/of rekenen, maar ze zijn geen analfabeet. Ze beheersen de Nederlandse taal niet op eindniveau vmbo of mbo niveau 2/3 (op A2 niveau). Ongeveer 2.5 miljoen Nederlanders vanaf 16 jaar hebben moeite met lezen, schrijven en/of rekenen. Hierbij komen vaak ook beperkte digitale vaardigheden kijken. Twee derde van deze mensen heeft Nederlands als moedertaal.

Het onvoldoende beheersen van de Nederlandse taal heeft allerlei gevolgen. Zo zijn laaggeletterde mensen vaker werkloos, hebben gemiddeld een lager inkomen, hebben een slechtere gezondheid en zijn minder politiek en maatschappelijk actief (Leuven, Oosterbeek & Van Ophem, 2004; Rudd, Kirsch & Yamamoto, 2004; Heckman, Stixrud & Urzua, 2006; Schuller & Desjardin, 2007; Statistics Canada & OECD, 2008: gelezen in ECBO). Dagelijkse taken kunnen voor laaggeletterde mensen uitdagend zijn, denk aan internetbankieren, reizen met het OV, de bijsluiter van medicijnen lezen, werkinstructies opvolgen, formulieren invullen, brieven of e-mails schrijven of kinderen voorlezen. Informatie kan voor laaggeletterde mensen eerder als complex ervaren worden, waardoor zij eerder gefrustreerd raken en afhaken.

Om laaggeletterdheid aan te pakken stelt het kabinet in de periode 2020-2024 € 425 miljoen beschikbaar. Het kabinet wil met name inwoners bereiken die Nederlands als moedertaal hebben.  Gemeenten krijgen ieder jaar ongeveer € 60 miljoen om hiermee aan de slag te gaan. Het geld is bedoeld om cursussen aan te bieden op het gebied van taal, rekenen en digitale vaardigheden. Ook krijgen werkgevers jaarlijks € 3 miljoen voor opleidingen in deze basisvaardigheden op de werkvloer. Tot slot is er een Expertisepunt  Basisvaardigheden, zij zorgen onder andere voor training van docenten die lesgeven aan laaggeletterden.

Meer mensen bereiken kan niet enkel behaald worden door in te zetten op meer aanbod, er moet ook rekening gehouden worden met psychologische factoren die van invloed zijn op deelname aan dit soort cursussen. Emoties spelen namelijk een grote rol in de aanpak van laaggeletterdheid. Leesangst, schaamte en een lage self-efficacy (het geloof dat je een bepaalde taak of activiteit kan uitvoeren) kunnen een drempel vormen om deel te nemen aan een cursus (Open Universiteit, 2018).

De doelgroep bereiken

Meer aanbod creëren voor laaggeletterden is een logische eerste stap, maar dat het aanbod bestaat betekent niet direct dat de juiste doelgroep hier voldoende gebruik van zal maken. Twee derde van de laaggeletterde mensen hebben Nederlands als moedertaal, echter zijn het voornamelijk burgers met een migratieachtergrond die participeren aan educatietrajecten (Steehouder & Baay, 2016). Het overgrote gedeelte van mensen die laaggeletterd zijn maakt dus nog onvoldoende gebruik van het bestaande scholingsaanbod. Volgens het Expertisecentrum beroepsonderwijs (ECBO) maken Nederlandstalige laaggeletterden beperkt gebruik van het scholingsaanbod. Dit kan verschillende redenen hebben. Ze hebben vaak negatieve schoolervaringen gehad, zijn onzeker over wat de scholing hen oplevert, hebben onvoldoende kennis van het aanbod, het aanbod is niet passend of de manier waarop het georganiseerd wordt is niet passend of ze beschikken niet over voldoende middelen (tijd en geld). Met uitzondering van negatieve schoolervaringen en het beschikken over onvoldoende middelen zou je denken dat deze drempels veelal weggenomen kunnen worden in de communicatie over het scholingsaanbod. Maar duidelijke en volledige communicatie over het scholingsaanbod betekent niet direct dat laaggeletterden ook gemotiveerd zijn om het aanbod te volgen en ook echt af te ronden. Schriftelijke informatie kan door laaggeletterden eerder als complex ervaren worden, wat leidt tot verwarring, frustratie en afhaken. Duidelijke en volledige communicatie biedt met name voor de doelgroep laaggeletterden dus geen uitkomst en kan wellicht juist averecht werken. Wat zouden we wel kunnen doen? 

Motiveren van de doelgroep

Een laaggeletterde moet eerst weten dat er scholingsmogelijkheden zijn en voldoende gemotiveerd zijn om zich in te schrijven. Door meer kennis te vergaren over hoe laaggeletterden hun laaggeletterdheid ervaren kan er aanbod gecreëerd worden dat beter aansluit op de wensen en drijfveren van laaggeletterden. Door in te spelen op de wensen en drijfveren van de doelgroep, kunnen laaggeletterden intrinsiek worden gemotiveerd. Daarbij is het belangrijk dat zij zo min mogelijk de negatieve emoties die (vaak) gepaard gaan met laaggeletterdheid ervaren, zoals schaamte en angst. Zo kunnen leesangst en schaamte een drempel vormen om deel te nemen aan een cursus (Open Universiteit, 2018). Leesangst komt voort uit negatieve ervaringen met (leren) lezen. Hierdoor zijn laaggeletterden minder geneigd om een taalcursus te volgen. Ook ervaren laaggeletterden vaak schaamte over hun laaggeletterdheid, waardoor zij het probleem vaak verbergen en ontlopen. Deze negatieve gevoelens zijn negatief gecorreleerd met self-efficacy (Baldwin, Baldwin, & Ewald, 2006; Luszczynska, Gutiérrez-Doña, & Schwarzer, 2005). Dit wil zeggen, hoe hoger de self-efficacy van een laaggeletterde, hoe kleiner de kans is dat zij (lees)angst en schaamte ervaren. Tevens heeft self-efficacy een positieve relatie met leerprestaties (Schunk, 2003).

Er zijn dus twee belangrijke factoren om de bereidheid van laaggeletterden om gebruik te maken van scholingsaanbod te verhogen, dit zijn self-efficacy en negatieve emoties zoals (lees)angst en schaamte. Een hogere self-efficacy heeft een positieve invloed op leerprestaties en verlaagt gevoelens van (lees)angst en schaamte, waardoor de bereidheid om gebruik te maken van scholingsaanbod wordt verhoogd. Het verhogen van de self-efficacy en het verlagen van (lees)angst zijn dus essentiële componenten voor de aanpak van laaggeletterdheid. Maar hoe verhoog je de self-efficacy en verlaag je negatieve emoties zoals (lees)angst?

Motivatie, self-efficacy en leesangst

Om de motivatie van laaggeletterden voor het volgen van scholing te verhogen moeten twee factoren worden beïnvloed: self-efficacy en (lees)angst. De factor self-efficacy (SE) is thema-specifiek, wat inhoudt dat iemand een hoge SE voor (bijvoorbeeld) koken kan hebben maar een lage SE heeft voor (bijvoorbeeld) lezen. Bandura (1997) gebruikt de term ‘lees self-efficacy’ (LSE) voor laaggeletterden. Mensen met een lage LSE  nemen minder vaak deel aan cursussen, houden het minder lang vol als het moeilijk wordt en presteren op een minder hoog niveau dan mensen met een hoge LSE (Guthrie & Coddington, 2009). De LSE van laaggeletterden kan worden verhoogd door leesangst, stress en misinterpretaties van lichamelijke reacties (angstzweet) te reduceren. Om deze reden is het van groot belang dat er structureel aandacht komt voor LSE en leesangst binnen het scholingsaanbod voor laaggeletterden. Angst, stress en lichamelijke reacties kunnen verminderd worden door middel van Mindfulness oefeningen, waaronder ontspanningsoefeningen, ademhalingsoefeningen en spierontspanning. Verschillende studies hebben de effectiviteit van mindfulness interventies aangetoond als bewezen effectief voor het verminderen van stress en angst (Klainin-Yobas, Nuang Oo, Ying, Yew & Lau, 2015; Manzoni, Pagnini, Castelnuovo & Molinari, 2008). Er wordt geadviseerd om componenten van mindfulness interventies te implementeren in het scholingsaanbod voor laaggeletterden. Het implementeren van mindfulness interventies in het scholingsaanbod kan negatieve emoties zoals angst, stress en lichamelijke reacties (angstzweet) verminderen waardoor de lees self-efficacy van laaggeletterden verhoogd wordt en motivatie om aan hun taalvaardigheid te werken versterkt wordt.

Onderzoek van Schunk (2003) naar self-efficacy toont ook aan dat SE beïnvloedt wordt door andere factoren. Dit zijn rolmodellen, doelen stellen en zelfevaluatie. Inzetten op deze factoren biedt ook mogelijkheden om de LSE van laaggeletterden te verhogen.

Rolmodellen en realistische doelen stellen

Rolmodellen kunnen laaggeletterden informeren over welk gedrag tot succesvolle uitkomsten leiden en hen motiveren om dit gedrag ook te vertonen. Succesvolle uitkomsten van rolmodellen verhogen de SE van de observant. De waargenomen gelijkenis met het rolmodel heeft een grote invloed. Hoe groter de gelijkenis tussen rolmodel en observant, hoe groter de kans dat de observant het gedrag ook zal vertonen. Een waardevolle toevoeging aan het scholingsaanbod van laaggeletterden is om gebruik te maken van rolmodellen in de werving maar ook tijdens de lessen. De volgende factor die van invloed is op de SE van laaggeletterden is het stellen van doelen. Doelen stellen is essentieel voor motivatie en leren. Wanneer we doelen stellen vergelijken we onze prestaties met het gestelde doel. Het verschil tussen het gestelde doel en onze prestatie zorgt voor ontevredenheid en verhoogt motivatie. Het is daarbij wel belangrijk dat het gestelde doel moeilijk en uitdagend is maar niet gezien wordt als onmogelijk om te behalen. Doelen met een matige moeilijkheidsgraad zorgen voor een verhoogde motivatie en maken het makkelijk om vooruitgang te zien, dit zorgt voor een verhoogde SE. Het is dus belangrijk dat docenten laaggeletterden helpen met het stellen van realistische doelen en informatie bieden over hun vooruitgang zodat hun SE wordt verhoogd. Positieve zelfevaluaties zijn essentieel om SE te behouden. Deelnemers moeten geloven dat zij leren en de capaciteit hebben om meer te leren. De meeste studenten maken echter niet uit zichzelf zelfevaluaties. Het is belangrijk dat docenten hen hierin ondersteunen bijvoorbeeld door middel van zelfevaluatieformulieren. Wanneer de vooruitgang helder gemaakt wordt, zullen de SE en motivatie van studenten verhoogd worden.  Zodra de LSE en motivatie verhoogd zijn, is het uiteraard ook essentieel de motivatie te behouden. Ook hiervoor biedt de gedragswetenschap kansen.

Gemotiveerd blijven om scholingsaanbod te volgen

Wanneer laaggeletterden scholing volgen, is het uiteraard ook essentieel dat zij deze scholing afmaken. Langdurige motivatie is hierbij hard nodig. Een invloedrijke theorie over motivatie is de zelfdeterminatietheorie van Deci & Ryan (1985). Deze theorie onderscheidt intrinsieke en extrinsieke motivatie. Intrinsieke motivatie komt vanuit de persoon zelf, door bijvoorbeeld interesse of nieuwsgierigheid. Extrinsieke motivatie kom vanuit buitenaf, door bijvoorbeeld beloningen of bonussen. Intrinsieke motivatie leidt over het algemeen tot betere resultaten en meer langdurige motivatie. Mensen die extrinsiek gemotiveerd zijn, zijn namelijk meer gericht op de beloning die zij zullen ontvangen en minder gericht op lange termijn opbrengsten. Lange termijn opbrengsten zijn natuurlijk van groot belang als het gaat om taalvaardigheid. Onderzoek van Versteijlen, Bakx & Ros (2016) toont aan dat intrinsieke motivatie vaak leidt tot betere leerresultaten, meer zelfstandig leren en hoger psychologisch welzijn. Intrinsieke motivatie kan gestimuleerd worden door te zorgen dat in de leeromgeving aan drie basisbehoeften wordt voldaan: autonomie, sociale verbondenheid en competentie (Deci & Ryan, 2000). Deelnemers moeten de vrijheid hebben om naar eigen inzicht een activiteit uit te voeren (autonomie). Geef deelnemers bijvoorbeeld de mogelijkheid om te kiezen welke (leer)activiteiten zij uitvoeren. Ook moeten deelnemers zich gewaardeerd en gerespecteerd door andere deelnemers voelen. Let tijdens een cursus dus goed op de groepsdynamiek. Tot slot moeten deelnemers het vertrouwen hebben dat zij de capaciteit hebben om hun doel(en) te bereiken (competentie). Help deelnemers met het stellen en evalueren van haalbare doelen. Kortom: het is essentieel dat scholingsaanbod voor laaggeletterden de intrinsieke motivatie stimuleert, door te voldoen aan de basisbehoeften van autonomie, sociale verbondenheid en competentie.

Zorg dat het scholingsaanbod afgestemd is op de mens achter de laaggeletterde

Op basis van inzichten uit de gedragswetenschap kan het scholingsaanbod om de taalvaardigheid van laaggeletterden te verbeteren nog wel beter ingericht worden. Scholingsaanbod kan meer rekening houden met psychologische factoren en emoties zoals self-efficacy, (lees)angst en schaamte. Ook moet het scholingsaanbod voldoen aan drie basisbehoeften, namelijk autonomie, sociale verbondenheid en competentie. Wanneer het scholingsaanbod deze factoren in acht neemt, kunnen we de motivatie van laaggeletterden verhogen en zetten we belangrijke stappen in een bredere ontwikkeling van deze grote doelgroep.

Heb jij ook ideeën of vragen over het verbeteren van de aanpak voor laaggeletterden? Of wil je graag laaggeletterden vooruit helpen? Misschien wil je deelnemen aan / meedenken bij onze gratis inspiratiesessie  ‘Laaggeletterdheid en gedrag’ op 21 juni (16.00 – 17.30, Amsterdam). Stuur een e-mail naar info@behaviourclub.nl om je aan te melden en ontvang meer informatie. 

Relevante berichten

5 manieren om uitstelgedrag effectief aan te pakken

Dat artikel schrijf ik volgende week wel. Het voorbereiden op die belangrijke bijeenkomst doe ik later. Herkenbaar? Wees gerust, je bent niet de enige. Iedereen vertoont regelmatig uitstelgedrag. Sinds we thuiswerken hebben we er door de toegenomen vrijheid zelfs meer mogelijkheid toe.

Lees meer »

Een écht effectieve zonbeschermingscampagne? Kijk eens verder dan zonnebrand!

“Welke factor is beter: 50 of 30?” In de afgelopen zonnige zomerweken kwam het onderwerp weer veelvuldig langs: het gebruik van zonnebrand om ons tegen de zon te beschermen. Veel campagnes focussen op de risico’s van langdurig zonnen en het belang van het gebruik van zonnebrandcrème. Maar als we gedrag écht willen veranderen moeten we meer op andere gebieden focussen. Hoe ontwerp je wél een effectieve zonbeschermingscampagne?

Lees meer »

Armoede en laaggeletterdheid gaan vaak hand in hand

Voor laaggeletterden is de kans aanzienlijk groter om in armoede terecht te komen. Maar: andersom is er eenzelfde effect; armoede leidt ook tot laaggeletterdheid. Er blijkt een sterke samenhang te zijn tussen deze twee zaken. Je kunt zo al snel in een negatieve spiraal terechtkomen.

Lees meer »