Auteur: Anna Kalmeijer Mestre

Waarom gezond eten zo lastig blijft, zelfs als we het beter weten

Het Voedingscentrum presenteerde recent de nieuwe Schijf van Vijf: minder vlees, meer peulvruchten, groente en fruit. Als je de reacties op social media mag geloven, was er nogal wat weerstand tegen deze nieuwe richtlijnen. Maar ook de meerderheid van de mensen die wel de richtlijnen proberen te volgen, lukt dit niet.

De meeste mensen weten echt wel wat gezond is. Minder suiker, meer groente, minder bewerkt eten. Toch heeft inmiddels meer dan de helft van de Nederlandse volwassenen overgewicht. Hoe kan dat? Waarom grijpen we tóch naar snacks, fastfood en gemak, terwijl we vaak best weten wat goed voor ons is?

Intentie leidt niet altijd tot gedrag

Volgens de theory of planned behaviour wordt gedrag primair bepaald door de intentie om dat gedrag uit te voeren. Die intentie wordt gevormd door drie factoren: de attitude ten opzichte van het gedrag (wat vind je er zelf van?), de subjectieve norm (wat denken mensen om je heen ervan?) en de ervaren gedragscontrole (heb ik de mogelijkheden en capaciteiten om dit te doen?). Hoe positiever iemand scoort op deze drie factoren, hoe sterker de intentie en hoe groter de kans dat het gedrag daadwerkelijk wordt uitgevoerd.

Toch blijkt dat een sterke intentie in de praktijk niet altijd voldoende is om gedrag daadwerkelijk te veranderen. Het verschil tussen wat mensen van plan zijn te doen en wat ze uiteindelijk doen, heet de intention-behaviour gap. Je bent écht van plan om iets te doen, maar je doet het tóch niet.

Herkenbaar? Denk aan de goede voornemens in januari: je doet gezonde boodschappen, sluit een sportschoolabonnement af en drie weken later val je toch weer in de oude gewoontes. De intentie is er, maar het gedrag verandert niet mee.

Heel veel gedrag is onbewust

Een belangrijke verklaring voor de intention-behaviour gap is dat we veel gedrag automatisch en dus niet bewust doen.

Volgens psycholoog en nobelprijswinnaar Kahneman werken er twee systemen in ons brein. Het eerste systeem is snel en automatisch: het reageert op gewoontes en omgevingsprikkels zonder dat we er bewust over nadenken. Het tweede systeem is langzamer en bewuster: dit is het deel van ons brein dat nadenkt, afweegt en plannen maakt.

In de praktijk worden de meeste dagelijkse keuzes gestuurd door het eerste, automatische systeem. Denk aan automatisch naar een koekje grijpen bij de koffie of snacken tijdens het tv-kijken. Gewoontes ontstaan doordat gedrag steeds opnieuw in dezelfde situatie plaatsvindt, totdat die situatie het gedrag vanzelf oproept. Dit zorgt ervoor dat ons gedrag sterk verbonden raakt met signalen uit onze omgeving.

De omgeving stuurt veel van onze keuzes

Ook in onze voedselkeuzes laat onderzoek zien dat onze omgeving een grote rol speelt. In gebieden met veel fastfoodrestaurants en weinig toegang tot verse groente en fruit ligt het percentage mensen met overgewicht structureel hoger. Dit komt doordat de omgeving het kiezen voor ongezond eten gemakkelijker, goedkoper en voor de hand liggender maakt dan het kiezen voor gezond eten. Met ons grotendeels automatische brein dat vaak de weg met de minste weerstand kiest, is de voedselomgeving een belangrijke factor bij hoe gezond we uiteindelijk eten.  

Mensen houden niet van ‘opgelegde regels’

Veel campagnes proberen mensen te stimuleren om gezonder te eten door in te zetten op het vergroten van kennis en het benadrukken van risico’s. Maar niet alleen wat je zegt, ook hoe je het zegt is belangrijk. Wanneer een boodschap te dwingend of betuttelend overkomt, kan dat juist weerstand oproepen. In de psychologie wordt dit reactance genoemd: de neiging om juist het tegenovergestelde te doen wanneer mensen het gevoel hebben dat hun keuzevrijheid wordt beperkt.

Dit is wat we bijvoorbeeld terugzien bij de nieuwe richtlijnen van het Voedingscentrum. Wetenschappelijk goed onderbouwde kennis, maar wél adviezen die mensen het gevoel kunnen geven dat hen iets wordt opgelegd.

 “Eet minder vlees” of “vermijd koek en snoep” klinkt voor veel mensen als een verplichting, en dat kan averechts werken. Zeker wanneer mensen het gevoel hebben dat ze iets moeten opgeven dat ze gewend zijn of graag eten. Boodschappen die autonomie respecteren en keuze bieden, werken vaak beter dan boodschappen die voorschrijven wat je zou moeten doen.

Kortom: met alleen kennis redden we het niet 
Kennis alleen is niet genoeg om gedrag te veranderen. Ook als we weten wat gezond is en de intentie hebben om ons gedrag te veranderen, lukt dat lang niet altijd. Gewoontes en omgevingsprikkels sturen gedrag vaak sterker dan bewuste intenties. Onze omgeving maakt bepaalde keuzes zichtbaarder en makkelijker, en informatieve boodschappen roepen soms juist weerstand op.

Als alleen informeren niet werkt, wat werkt dan (vaak) wel?

Gezond eetgedrag stimuleren: 5 tips
Gedragsverandering vraagt om een aanpak die aansluit op hoe mensen werken en beslissingen nemen. De volgende vijf tips kun je gebruiken als je gezond eetgedrag wél effectief wilt stimuleren. (Maar let op: gedragsverandering blijft maatwerk).  

  1. Maak de gewenste verandering heel specifiek
    Effectieve gedragsverandering begint met een scherpe analyse: wie is de doelgroep, wat is het gewenste gedrag, en waar en wanneer moet dat plaatsvinden? Een probleem als “mensen moeten gezonder eten” is te breed om op te handelen. Door het heel specifiek te formuleren, zoals: “ouders met jonge kinderen kiezen minimaal drie keer per week voor groente of fruit als tussendoortje” kun je een veel concretere gedragsanalyse uitvoeren en aanpak bedenken. Hoe concreter je het gewenste gedrag definieert, hoe gerichter je het probleem kunt aanpakken en hoe effectiever de interventie uiteindelijk is.
  2. Onderzoek is cruciaal
    Het is belangrijk om met een grondige analyse alle drijfveren en barrières in kaart te brengen. Bij Behaviour Club kijken we altijd naar drie niveaus: de drijfveren en barrières kunnen individueel zijn, zoals een gebrek aan motivatie, kennis of zelfvertrouwen. Ze kunnen sociaal zijn, bijvoorbeeld door groepsnormen en sociale druk, of fysiek, wanneer de omgeving het gewenste gedrag moeilijk maakt of juist stimuleert. Iemand die ongezond eet uit gewoonte heeft een andere aanpak nodig dan iemand die het zich financieel niet kan veroorloven. Alleen door de drijfveren en barrières duidelijk in beeld te krijgen, kun je effectieve interventies ontwerpen die hierop inspelen.
  3. Respecteer autonomie
    Gedragsverandering werkt beter wanneer mensen het gevoel houden dat ze zelf kunnen kiezen. In plaats van mensen te vertellen wat ze zouden moeten doen, is het effectiever om (het gevoel van) keuzevrijheid te behouden en mensen zélf te laten ontdekken wat het beste werkt. Dit voorkomt weerstand en vergroot de kans dat mensen het gedrag als eigen keuze ervaren en het eerder overnemen. Denk bijvoorbeeld aan een campagne die wekelijks een gezond product uitlicht, met daarbij een recept en praktische tips.
  4. Maak gewenst gedrag zichtbaar en normaal
    Mensen zijn sociale wezens en kijken naar wat anderen doen. Als gezonde keuzes de norm lijken, vergroot dat de kans dat anderen volgen. Laat daarom zien dat het gewenste gedrag al wordt vertoond door mensen die lijken op de doelgroep, bijvoorbeeld via voorbeelden, verhalen of rolmodellen. Wanneer mensen zich kunnen identificeren met anderen die het gedrag al laten zien, voelt de stap om het zelf te doen kleiner. Laat bijvoorbeeld zien hoe andere ouders hun kinderen dagelijks fruit of groente meegeven als tussendoortje, zodat gezond snacken steeds normaler en vanzelfsprekender wordt.
  5. Sluit aan op automatisch gedrag
    Richt interventies niet op het overtuigen van het bewuste brein, maar op het beïnvloeden van automatische gewoonten. Maak gewenst gedrag de makkelijkste keuze. Mensen kiezen namelijk vaak niet bewust, maar gaan voor wat het makkelijkst, snelst en meest zichtbaar is. Daarom is het belangrijk om de omgeving zo in te richten dat gezond eten de meest logische keuze wordt. Bijvoorbeeld door standaard een salade als bijgerecht aan te bieden in de kantine, of al het fruit op ooghoogte te plaatsen.

Zelf aan de slag met gezond gedrag stimuleren?

Wil je zelf aan de slag met het stimuleren van gezonder gedrag bij grote groepen mensen (denk aan burgers, medewerkers, kinderen, patiënten) in jouw organisatie, gemeente, of regio? Behaviour Club helpt je graag op weg.

Bronnen

Ajzen, I. (1991). The theory of planned behavior. Organizational Behavior and Human Decision Processes, 50(2), 179–211. https://doi.org/10.1016/0749-5978(91)90020-T

Brehm, J. W. (1966). A theory of psychological reactance. Academic Press.

Centraal Bureau voor de Statistiek & Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. (2026). Overgewicht | Volwassenen. Vzinfo. https://www.vzinfo.nl/overgewicht/volwassenen

Fernqvist, F., Spendrup, S., & Tellström, R. (2024). Understanding Food Choice: A  Systematic Review of Reviews. Heliyon, 10(12), e32492. https://doi.org/10.1016/j.heliyon.2024.e32492

Kahneman, D. (2011). Thinking, fast and slow. Farrar, Straus and Giroux.

Miller, C., Lane, L. T., Deatrick, L., Young, A. M., & Potts, K. A. (2007). The effects of controlling language, lexical concreteness, and the restoration of freedom. Human Communication Research, 33(2), 219–240.  https://doi.org/10.1111/j.1468-2958.2007.00297.x

Pineda, E., Stockton, J., Scholes, S., Lassale, C., & Mindell, J. S. (2024). Food environment    and obesity: a systematic review and meta-analysis. BMJ Nutrition Prevention & Health, 7(1), 204–211. https://doi.org/10.1136/bmjnph-2023-000663

Sheeran, P. (2002). Intention—behavior relations: A conceptual and empirical review. European Review of Social Psychology, 12(1), 1–36.  https://doi.org/10.1080/14792772143000003 

Voedingscentrum. (z.d.). Gezond eten voor mens en planeet met de Schijf van Vijf.   https://www.voedingscentrum.nl/nl/gezond-eten-met-de-schijf-van-vijf.aspx